|
TIJD langzamer
dan de oudste steen. Het was verschrikkelijk:
om mij heen schoot
alles op, schokte en beefde, wat
stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee de
bomen zich uit de aarde wrongen terwijl
ze hees en hortend zongen; terwijl
de jaargetijden vlogen verkleurende
als regenbogen… Ik zag de tremor
van de zee, zijn
zwellen en weer haastig slinken, zoals
een grote keel kan drinken. En dag en nacht van
korte duur, vlammen
en doven: flakkrend vuur. De wanhoop en vanzelfsprekendheid in
de gebaren van de dingen die
anders star zijn, en hun dringen, hun
ademloze, wrede strijd… Hoe kón ik dat niet
eerder weten? niet
beter zien in vroeger tijd? Hoe moet ik het weer ooit vergeten?
M.
Vasalis, uit Parken en Woestijnen. |